Menu

Nieuw personeel aannemen maar ook coronamaatregelen verwacht in het najaar?

Wat mag je als werkgever in deze onzekere tijd?
Onze arbeidsjuristen krijgen wat vragen over de mogelijkheden om flexibel in te spelen op deze onzekere economische tijd. Misschien komt er weer een lockdown, misschien niet. Als je goede mensen tegenkomt wil je hen graag een contract aanbieden, de arbeidsmarkt is immers krap. Maar kun je er ook weer vanaf op basis van de ontwikkeling van het coronavirus?

Het arbeidsrecht kent de opschortende en de ontbindende arbeidsvoorwaarde. Dat zijn twee kanten van de medaille: bij de opschortende voorwaarde ontstaat er pas een arbeidsovereenkomst mits een bepaalde voorwaarde zich voordoet, en bij de ontbindende arbeidsvoorwaarde is dat precies andersom. Het dienstverband vangt aan, maar wordt weer teniet gedaan als de overeengekomen voorwaarde intreedt.

Corona als ontbindende voorwaarde?
Kan het coronavirus een ontbindende voorwaarde zijn waarmee je het contract kunt laten eindigen? De wet is  hierover duidelijk: zo’n voorwaarde moet objectief zijn vast te stellen en je mag er als werkgever geen enkele invloed op hebben. Dit vraagt om een heel concrete formulering van de ontbindende of opschortende voorwaarde. “Coronamaatregelen” is niet concreet genoeg, want wat bedoel je daarmee te zeggen? Welke coronamaatregelen? Hoewel we geen succesgarantie kunnen geven, lijkt het mogelijk om een ontbindende voorwaarde op te nemen die de arbeidsovereenkomst doet eindigen zodra de overheid bepaalt dat bijvoorbeeld winkels, scholen of de horeca vanwege de virusontwikkeling moeten sluiten (lockdown). Deze voorwaarde is objectief vast te stellen op de datum van sluiting, en het is geen omstandigheid waar je zelf invloed op hebt. Er is dan geen werk voor je nieuw aangenomen personeel, dus je hebt in feite een lege arbeidsovereenkomst gesloten.

De rechtspraak zal moeten uitwijzen hoe rechters hierover denken. Het risico is dat een rechter dit een gewone bedrijfseconomische ontslaggrond vindt, en dan zul je “gewoon” ontslag moeten aanvragen bij het UWV. Het is echter het proberen waard.

Corona als de opschortende voorwaarde?
De omgekeerde situatie is het geval dat je tijdens een lockdown een goede kandidaat ontmoet en deze wil aannemen voor een volgend seizoen, of voor de periode na de lockdown. De opschortende voorwaarde betekent dan dat je een contract sluit en daarin opneemt dat deze pas in werking treedt als de lockdown niet wordt verlengd per een bepaalde datum. Als die lockdown dan onverhoopt wordt verlengd, dan schort dat de begindatum van het contract op tot aan het moment dat je bedrijf weer open gaat.

Heb je hier meer vragen over, neem dan contact op met Team Arbeidsrecht van Jurato.

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven

Zzp’er of toch een werknemer?

Binnen een organisatie worden vaak verschillende soorten arbeidskrachten ingezet. Zo kan een organisatie werknemers in dienst nemen, maar kunnen ook freelancers zzp’ers worden ingeschakeld. Het is van belang dat je met deze arbeidskrachten de juiste overeenkomst aangaat. Hieronder leggen we uit wanneer je een arbeidsovereenkomst en wanneer je een overeenkomst van opdracht nodig hebt.

 

Arbeidsovereenkomst

Een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met een werknemer die bij jouw organisatie in dienst treedt. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst als er een overeenkomst wordt gesloten waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zeker tijd arbeid te verrichten. Uit deze definitie kan worden afgeleid dat er sprake moet zijn van:

  • de verplichting voor de werknemer om arbeid te verrichten;
  • de verplichting voor de werkgever om aan de werknemer loon te betalen;
  • een gezagsverhouding op basis waarvan de werkgever de werknemer instructies kan geven.

 

Overeenkomst van opdracht

De overeenkomst van opdracht kan worden aangegaan met een zzp’er. Het betreft een overeenkomst op basis waarvan de ene partij, de zzp’er, zich tegenover de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten. Je kunt bijvoorbeeld denken aan een zzp’er die tijdelijk wordt ingeschakeld omdat er een overvloed aan werk is. Kenmerkend voor een overeenkomst van opdracht is dat er:

  • vaak geen gezagsverhouding is op basis waarvan de opdrachtgever de zzp’er instructies kan geven over de manier waarop de opdracht moet worden uitgevoerd (de zzp’er mag de opdracht naar eigen inzicht en zonder leiding uitvoeren);
  • voor de zzp’er vaak geen verplichting is tot het persoonlijk verrichten van de arbeid.

Bij een overeenkomst van opdracht zal er in ieder geval van één van de hiervoor genoemde punten sprake moeten zijn.

 

Zzp’er of toch een werknemer?

Bij het inhuren van een zzp’ers bestaat er het risico dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking. Dit betekent dat er in de praktijk feitelijk sprake is van een dienstverband/arbeidsovereenkomst in plaats van een zzp’er/overeenkomst van opdracht. Als komt vast te staan dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking, dan kan dit verstrekkende gevolgen hebben. Zo kan er bijvoorbeeld door de Belastingdienst alsnog afdracht loonbelasting en premies sociale voorzieningen worden gevorderd en spelen er diverse arbeidsrechtelijke risico’s, zoals met betrekking tot loondoorbetaling tijdens ziekte, bescherming bij ontslag en recht op vakantiegeld. Het is dus van belang dat in de praktijk de juiste overeenkomst met de juiste arbeidskracht wordt gesloten en de praktijksituatie aansluit bij de inhoud van de overeenkoms.t  geen situatie ontstaat die leidt tot een fictieve dienstbetrekking. Hieronder geef ik de belangrijkste aandachtspunten weer.

Via Contractenshop.nl kun je zowel een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst van opdracht genereren. Mocht je vragen hebben over welke overeenkomst het beste bij jouw situatie past, neem dan gerust contact met ons op. Onze juristen staan voor je klaar.

 

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven

Waarom re-integratie tweede spoor soms niet lukt

Re-integratie bij langdurige arbeidsongeschiktheid vraagt inspanning van zowel de werkgever als de werknemer. Als terugkeer in de eigen functie niet meer kan, volgt het zogeheten “tweede spoor traject” waarin gezocht wordt naar werkhervatting bij een andere werkgever. Helaas verlopen dergelijke trajecten niet altijd soepel, zo ervaren onze arbeidsrecht juristen ook in hun praktijk. Hieronder geven we wat inzicht in de meest voorkomende oorzaken van lastige of zelfs mislukte re-integratie processen:

  • Er wordt te laat gestart met het tweede spoor traject. Werkgevers moeten uiterlijk 6 weken na de eerstejaarsevaluatie de eerste stappen zetten;
  • Jullie houden te weinig persoonlijk contact of hebben een slechte relatie. Een verstoorde arbeidsverhouding komt de re-integratie niet ten goede;
  • De planning en dossiervorming worden niet goed bewaakt en bijgehouden;
  • De bedrijfsarts schat de mogelijkheden van de werknemer onjuist in;
  • Je wilt als werkgever te snel resultaat, wat een averechts effect kan hebben op de re-integratie. Met name bij werknemers met burn-out klachten zien we dat terug. Overspannen werknemers vallen vaak terug als de werkgever te veel pusht;
  • De werknemer werkt onvoldoende mee aan het re-integratietraject, wat kan variëren van  slechte bereikbaarheid tot het weinig constructief meekijken naar passend werk buiten de eigen organisatie;
  • Je pakt de re-integratie als werkgever helemaal zelf op zonder hulp van een re-integratiebureau.

 

Hoe kun je deze problemen voorkomen of beperken?
Succesfactoren zijn er natuurlijk ook. Een voortvarend succesvol re-integratietraject heeft vaak ook duidelijke kenmerken die we terugzien in dossiers. Dat zijn bijvoorbeeld deze factoren:

  • Begin op tijd met het opstarten van het tweede spoor traject. Dat kan ook als het eerste spoor nog niet is afgerond. Zo voorkom je dat je medewerker de aansluiting met de arbeidsmarkt verliest door te lang thuis te zitten;
  • Het gaat bij tweede spoor om een zoektocht naar ‘passend werk’ voor de werknemer, wat niet hetzelfde is als ‘leuk’ werk. Je mag als werkgever dus grenzen stellen. Herplaatsing hoeft niet te leiden tot ‘de ideale baan’ van jouw re-integrerende werknemer. Een re-integratiebureau kan helpen om een realistisch beeld te krijgen van de mogelijkheden en dat zal de kans op succes vergroten;
  • Zorg voor goede dossiervorming waarin je alle stappen bijhoudt. Dat kost inderdaad tijd, maar loont echt de moeite naast het onderhouden van persoonlijke contact, wat evenzo belangrijk is om het tweede spoor traject succesvol te maken;
  • Iedere werkgever heeft als taak om “een goed werkgever” te zijn, ook in het tweede spoor. Dat houdt o.a. in dat je je medewerker voldoende ruimte geeft om terug te keren en niet te veel (maar ook niet te weinig) druk uitoefent;
  • Vraag bij onduidelijkheid over de mogelijkheden om opheldering aan je bedrijfsarts;
  • Schakel een goede re-integratiespecialist in: dit is een vak apart en zelden een bezigheid waar je als ondernemer verstand van hebt.

 

Heb je vragen over re-integratieprocessen, neem gerust contact met ons op.

Recente berichten

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven

Nieuwe arbeidswetgeving: wat verandert er voor het studiekostenbeding?

Per 1 augustus treedt er nieuwe arbeidswetgeving in werking: de Wet transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden. Dit heeft gevolgen voor verschillende onderwerpen binnen het arbeidsrecht. In dit blog wordt de wijziging omtrent het studiekostenbeding uitgelicht. Wat verandert er voor het studiekostenbeding zoals we dat onder de huidige wetgeving kennen?

Huidige situatie
De huidige situatie is vastgelegd in artikel 7:611a BW. De werkgever is verplicht een werknemer in staat te stellen scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst wanneer de functie van de werknemer komt te vervallen of wanneer de werknemer niet langer in staat is deze te vervullen. Een werkgever wilt er graag van verzekerd zijn dat hij de vruchten plukt van de studie van de werknemer waarvoor hij de kosten draagt. Daarom wordt er doorgaans een studiekostenbeding overeengekomen met de werknemer.

Een dergelijk beding moet door beide partijen schriftelijk zijn aangegaan en de werknemer moet ervoor tekenen. Hierin wordt vastgelegd dat een werknemer wanneer hij bijvoorbeeld binnen een jaar na afronding van de opleiding uit dienst treedt 75% van de kosten dient terug te betalen, binnen twee jaar na afronding 50% etc. Aan een dergelijk beding worden wel bepaalde voorwaarden gesteld om geldend te kunnen zijn.

Wat verandert er per 1 augustus 2022?
Vanaf 1 augustus 2022 moet scholing die verplicht is op grond van de wet of de cao kosteloos aan werknemers worden aangeboden door werkgevers. Ook geldt dat de scholingstijd als arbeidstijd dient te worden aangemerkt en dat reiskosten moeten worden vergoed. Een studiekostenbeding is in deze gevallen niet meer toegestaan. Reeds bestaande studiekostenbedingen in bijvoorbeeld cao’s, studieovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten worden vanaf 1 augustus 2022 als ‘niet bestaand’ aangemerkt. Er geldt geen overgangsrecht. Voor niet verplichte studies mag een studiekostenbeding nog wel worden opgenomen, mits deze voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden.

In de wet zijn echter maar weinig opleidingen opgenomen die als verplicht dienen te worden aangemerkt, dus vooral opleidingen die in cao’s staan vermeld zullen van betekenis zijn. Ook is het hierin soms nog aftasten welke opleiding nu wel of niet als verplicht dient te worden aangemerkt. De  rechtspraak zal hier wellicht meer duidelijkheid over gaan geven in de toekomst.

Herplaatsing, disfunctioneren en beroepsopleidingen
Wat inmiddels al wel duidelijk is, is dat studies voor het herplaatsen van werknemers en scholing in geval van disfunctioneren allen als verplichte studies dienen te worden aangemerkt. De kosten hiervan komen dus ook voor rekening van de werkgever.

Daarentegen vallen beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het behouden van een beroepskwalificatie niet onder verplichte scholing.

Advies
Ons advies is om alvast in te calculeren welke opleidingen en studies als verplicht (zullen) worden aangemerkt. Dat is in dit stadium echter nog niet altijd eenvoudig vast te stellen, omdat cao’s en wetten niet altijd even duidelijk en specifiek zijn geformuleerd, maar je hebt dan als werkgever wel beter een beeld van welke (studie)kosten voor jouw rekening zullen komen. Denk hierbij ook aan de arbeidstijd, reiskosten en kosten voor studiemateriaal. Deze kosten kunnen niet meer op de werknemer worden verhaald in geval van verplichte studies op grond van de wet of de cao. Ook niet wanneer de werknemer de opleiding niet succesvol afrondt of ontslag neemt.

Heb je hier aanvullende vragen over? Neem dan gerust contact op met Team Arbeidsrecht van Jurato.

 

Recente berichten

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven

Hoe om te gaan met gestegen grondstofprijzen in relatie tot contracteren?

Het zal je vast niet ontgaan zijn dat de kosten voor grondstoffen behoorlijk zijn gestegen. Mede door de coronapandemie is de toeleveringsketen, ook wel: supply chain flink verstoord. Daarbovenop komt ook nog eens de oorlog in Oekraïne wat zeker niet heeft bijgedragen aan een soepele supply chain. In deze blog bespreek ik het onderscheid tussen bestaande en toekomstige overeenkomsten in relatie tot gestegen grondstofprijzen. Daarna ga ik in op wat je als ondernemer kan doen tegen gestegen grondstofprijzen in het algemeen. Vervolgens bespreek ik wat je als aannemer kan doen tegen onvoorziene en kostenverhogende omstandigheden bij aanneming van werk. Ik sluit af met een conclusie en een advies.

Bestaande en toekomstige overeenkomsten in relatie tot gestegen grondstofprijzen

In eerste instantie moet er een onderscheid gemaakt worden tussen al bestaande overeenkomsten en nog te sluiten overeenkomsten. Het basisbeginsel bij een overeenkomst is: ‘Pacta sunt servanda’, oftewel afspraken moeten worden nagekomen.

Maar wat nu als je als ondernemer vindt dat je onevenredig hard wordt geraakt door de gestegen kosten voor grondstoffen? Zijn er mogelijkheden om de ‘pijn’ te verzachten ook als de afspraken al zijn vastgelegd in een bestaande overeenkomst? Dan zit er doorgaans niets anders op dan de zaak voor te leggen aan de rechter.

Onvoorziene omstandigheden en kostenverhogende omstandigheden in het algemeen

De rechter kan dan op grond van een dwingendrechtelijke bepaling in de wet (artikel 6:258 BW) de gevolgen van de overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden. Dit kan met terugwerkende kracht.

Dit kan niet zomaar. Voor een geslaagd beroep bij de rechter op het wijzigen of geheel/gedeeltelijk ontbinden van de overeenkomst gelden de volgende vereisten.

  1. Ten eerste moet er sprake zijn van onvoorziene omstandigheden, het moet dan gaan om omstandigheden die jij en jouw opdrachtgever vóór het sluiten van de overeenkomst niet hadden kunnen voorzien. Bijvoorbeeld een pandemie of het uitbreken van een oorlog.
  2. Ten tweede moeten deze omstandigheden dusdanig zijn dat jouw opdrachtgever naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid de overeenkomst niet meer in stand kan houden. De rechter zal op grond van art. 6:258 lid 2 BW geen wijziging uitspreken als de wijziging of ontbinding voor uw eigen rekening komt of kan komen . De rechter beschouwt dit als een risico voor de ondernemer.

Sinds de uitbraak van de coronapandemie wordt er meer dan voorheen een (geslaagd) beroep gedaan op onvoorziene omstandigheden. De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 een arrest gewezen waarin door de huurder van een horecapand een geslaagd beroep is gedaan op onvoorziene omstandigheden (ECLI:NL:HR:2021:1974).

Onvoorziene en kostenverhogende omstandigheden bij aanneming van werk.

Met name in de bouw rijzen op dit moment de kosten de pan uit. De vraag is: Kan de aannemer de stijgende kosten geheel of gedeeltelijk doorberekenen aan de opdrachtgever? De meest korte route is natuurlijk wanneer je als aannemer tot nieuwe afspraken kunt komen met uw opdrachtgever. Maar vaak gaat deze daar niet mee akkoord. In dat geval kan je mogelijk een beroep doen op artikel 7:753 BW en bij de rechter vorderen dat vanwege kostenverhogende omstandigheden, waarin je niet hebt kunnen voorzien, een prijsaanpassing gerechtvaardigd. Het is dus niet uitgesloten dat je als aannemer de stijgende kosten geheel of gedeeltelijk kunt doorberekenen aan de opdrachtgever nadat de overeenkomst al is gesloten. Tijdige actie vanuit jouw zijde is aan te raden waarbij het van geval tot geval afhangt of het daadwerkelijk tot prijsaanpassing kan leiden.

Conclusie

Bij bestaande overeenkomsten in het algemeen bestaat er op grond van art. 6:258 BW de mogelijkheid om bij de rechter een prijsaanpassing te vorderen, of de overeenkomst in het geheel te ontbinden. Bij bestaande overeenkomsten van aanneming van werk bestaat er op grond van art. 7:753 BW de mogelijkheid om een prijsaanpassing te vorderen bij de rechter.

Het nadeel van een beroep doen op onvoorziene omstandigheden en kostenverhogende omstandigheden is dat een gang naar de rechter noodzakelijk is, wat weer tot extra kosten leidt en bovendien tijdrovend kan zijn.

Advies

Ons advies is om al bij het aangaan van een (aanneem)overeenkomst nadere afspraken te maken over meer dan gemiddelde stijging van grondstofprijzen (ongeacht de oorzaak daarvan). Dit voorkomt zoveel als mogelijk ‘gedoe’ achteraf.

Het team vastgoed en ondernemen van Jurato helpt hierbij graag verder. Ook als je al een contract hebt en advies wenst over hoe om te gaan om de verhoogde kosten wegens onvoorziene omstandigheden waarover (nog) geen afspraken zijn gemaakt. Schroom niet en neem gerust contact op met een van onze (vastgoed)juristen.

Stefan Kole


s.kole@jurato.nl

Recente berichten

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven

De herziene Groepsvrijstellingsverordening voor verticale overeenkomsten: Wat betekent dit voor jouw distributieovereenkomst?

Per 1 juni aanstaande zal de herziene Groepsvrijstellingsverordening voor verticale overeenkomsten (de ‘VBER’) en de bijbehorende Richtsnoeren inzake verticale beperkingen in werking treden. Het is momenteel nog afwachten op de definitieve tekst. In deze blog bespreken we alvast op hoofdlijnen de voorgestelde wijzigingen van de VBER.

Wat is de Groepsvrijstellingsverordening verticale overeenkomsten (VBER)?
Verticale overeenkomsten zijn overeenkomsten die gesloten worden tussen ondernemingen die elk in een andere fase van de productie- of distributieketen werkzaam zijn. Denk bijvoorbeeld aan een distributieovereenkomst die gesloten wordt tussen een leverancier en een distributeur.

Verticale overeenkomsten die de mededinging merkbaar beperken zijn op grond van het mededingingsrecht verboden, tenzij deze onder de werking van de Groepsvrijstelling vallen. De VBER stelt verticale overeenkomsten die aan bepaalde voorwaarden voldoen vrij van het kartelverbod. Om onder de Groepsvrijstelling te vallen moet het marktaandeel van de betrokken partijen niet meer bedragen dan 30%. Daarnaast mag de overeenkomst ook geen ‘hardcore restricties’ bevatten. Zo mag een leverancier bijvoorbeeld geen vaste prijs opleggen aan zijn afnemers. Dit wordt aangemerkt als een hardcore restrictie.

Herziene VBER
De VBER wordt herzien om beter aan te sluiten bij de meeste recente marktontwikkelingen, denk bijvoorbeeld aan de toename van het huidige online handelsverkeer. Hieronder bespreken wij op hoofdlijnen de voorgestelde wijzigingen.

Duale distributie
Er is sprake van duale distributie indien een leverancier zijn goederen en diensten niet alleen via zijn distributeurs verkoopt, maar ook zelf zijn goederen en diensten rechtstreeks aan de eindgebruikers verkoopt. In dat geval concurreert de leverancier dus rechtstreeks met zijn eigen distributeurs. Door de toename van onlineverkopen is duale distributie sterk toegenomen. De VBER wordt op dit punt strenger. De informatie-uitwisseling tussen de leverancier en distributeur zal in geval van duale distributie alleen worden vrijgesteld wanneer er sprake is van een gezamenlijk marktaandeel van maximaal 10%.

Online verkoop
Uitgangspunt in de VBER en de Richtsnoeren is dat het de distributeurs nog steeds vrijstaat om online te verkopen. Leveranciers mogen daarnaast wel aan onlineverkoop en online adverteren kwaliteitseisen stellen.

Het beperken van de verkoop op onlinemarktplaatsen wordt door de VBER vrijgesteld wanneer het marktaandeel van de leverancier en de distributeur niet meer dan 30% bedragen. Een beperking of een verbod op de verkoop op onlinemarktplaatsen heeft namelijk betrekking op de voorwaarden waaronder de onlineverkoop van de distributeur plaatsvindt. Het gebruik van een specifiek onlinekanaal wordt beperkt, maar andere onlinekanalen blijven beschikbaar voor de distributeur.

Daarnaast oordeelt de Commissie dat prijsvergelijkingssites, in tegenstelling tot online marktplaatsen, geen verkoopkanaal zijn maar een advertentiekanaal. Een algeheel verbod op prijsvergelijkingswebsites wordt wel als een hardcore beperking gezien.

Dual pricing
Op grond van de VBER mogen leveranciers een prijsverschil aanbrengen tussen producten die bestemd zijn voor de onlineverkoop en producten die bestemd zijn voor de offline verkoop. Het doel van deze ‘dual pricing’ is om de fysieke distributiekanaal te beschermen. Gezien de opkomst van online distributie wil men met dual pricing ervoor zorgen dat distributeurs ook in fysieke winkels blijven investeren. Dual pricing mag echter niet als doel hebben dat de online verkoop wordt belemmerd.

Exclusieve distributie
Het kiezen voor een exclusief distributiemodel wordt onder de VBER aantrekkelijker. Op grond van de VBER kunnen nu voor een bepaald gebied of klantenkring meerdere exclusieve distributeurs worden aangewezen. Bij het aanwijzen van meerdere exclusieve distributeurs voor een gebied of klantenkring moet het aantal distributeurs in verhouding staan tot het aangewezen gebied of klantenkring. Daarnaast kunnen leveranciers de exclusieve distributeurs ook verplichten om de exclusiviteit door te leggen aan hun afnemers.

Status
Zoals gezegd zijn de VBER en de Richtsnoeren momenteel nog concepten en deze kunnen nog worden aangepast. Het is momenteel afwachten hoe de definitieve VBER en Richtsnoeren eruit komen te zien.

Recente berichten

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven

Oorlog in Oekraïne: kan ik mijn overeenkomst met een Russisch bedrijf beëindigen?

Oorlog in Oekraïne: kan ik mijn overeenkomst met een Russisch bedrijf beëindigen?

Vanaf het moment dat de oorlog tussen Rusland en Oekraïne is uitgebroken, zijn er partijen die de samenwerking met Russische bedrijven beëindigen of wensen te beëindigen. Hiervoor hebben zij verschillende redenen. Kan je als Nederlands bedrijf echter zomaar de overeenkomst met een bedrijf uit Rusland beëindigen op grond van het Nederlands recht?

Let op:  in deze blog wordt ingegaan op de situatie waarin Nederlands recht op de betreffende overeenkomst van toepassing is.

Overeenkomst
Voordat de vraag kan worden beantwoord of een overeenkomst met een Russisch bedrijf kan worden beëindigd, moet eerst naar de overeenkomst worden gekeken die tussen partijen is gesloten. Wellicht zijn in deze overeenkomst bepalingen opgenomen over beëindiging in een bepaalde situatie. Ook dient te worden bekeken of een overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd is aangegaan. Overeenkomsten voor bepaalde tijd kunnen namelijk in de meeste gevallen niet tussentijds worden opgezegd, tenzij daar een bepaling over is opgenomen in de overeenkomst. Een overeenkomst voor onbepaalde tijd kan meestal wel worden beëindigd. Er gelden dan doorgaans wel voorwaarden, zoals een opzegtermijn.

Wederzijds goedvinden
Mocht opzegging niet mogelijk zijn op grond van de overeenkomst, probeer er dan in onderling overleg samen uit te komen. Beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden, is namelijk altijd een optie als beide partijen daar achter staan. De andere partij zal hier in de meeste gevallen echter niet snel mee instemmen.

Onvoorziene omstandigheid
Wanneer er geen opzegmogelijkheden in de overeenkomst zijn opgenomen en de overeenkomst kan niet met wederzijds goedvinden worden beëindigd, dan is de gang naar de rechter waarbij een beroep op de term ‘onvoorziene omstandigheid’ wordt gedaan nog een mogelijkheid. Een rechter kan dan besluiten om de overeenkomst te ontbinden of te wijzigen. Om een dergelijk beroep te laten slagen, moet wel sprake zijn van omstandigheden die partijen niet voorzien hebben  (in de overeenkomst) en die zodanig zwaarwegend van aard zijn dat jouw wederpartij niet van jou mag verwachten dat de overeenkomst zoals deze is gesloten ongewijzigd in stand blijft.

Een beroep op een onvoorziene omstandigheid slaagt niet snel, zeker niet als de overeenkomst objectief gezien ‘gewoon’ kan worden nagekomen door beide partijen. Een beroep op een onvoorziene omstandigheid zal naar alle waarschijnlijkheid dus direct door de rechter van de hand worden gewezen als een partij de overeenkomst met een Russisch bedrijf enkel wil ontbinden of wijzigen op grond van bepaalde normen en waarden. Dit wordt een ander verhaal wanneer het Russische bedrijf de overeenkomst niet meer kan nakomen door bijvoorbeeld sancties die door de EU zijn opgelegd of doordat bankrekeningen van Russische partijen zijn ‘bevroren’. Hoe een rechter in een precieze kwestie zal oordelen is echter nog niet duidelijk. Dit zal moeten blijken uit toekomstige rechtspraak.

Redelijkheid en billijkheid
Een tweede optie vormt de zogeheten ‘beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid’. Hier kan ook een beroep op worden gedaan om de overeenkomst met een Russische partij te beëindigen. De ervaring leert dat de rechter een dergelijk beroep sneller toewijst dan een beroep op een onvoorziene omstandigheid. Het is echter de vraag of dat in deze situatie ook het geval is.

Advies
Iedere kwestie verschilt van elkaar en iedere partij heeft een andere reden om een overeenkomst met een Russische partij te willen opzeggen. Ons advies is dan ook om je in dergelijke kwesties te laten adviseren door een jurist. De jurist kan goed beoordelen welke optie in jouw situatie de meeste kans van slagen heeft en of er wellicht nog andere juridische mogelijkheden zijn. Neem in dat geval gerust contact op met een van onze juristen.

Recente berichten

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven

Illegaal gebouwde woning hoeft nog niet te worden afgebroken

Recent heeft de voorzieningenrechter van de van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoek van een inwoner van de gemeente Molenlanden een enigszins opmerkelijke voorlopige voorziening getroffen.

Wat was er aan de hand: volgens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden (hierna: ‘het college’) had de eigenaar van de woning deze illegaal gerealiseerd. De woning moest daarom op korte termijn worden verwijderd en verwijderd gehouden.

Deze verplichting is aan de eigenaar opgelegd met een zogenaamd besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Een last onder bestuursdwang is een herstelsanctie die het college kan inzetten om een overtreding te herstellen en daarbij zelf feitelijk in te grijpen als de ‘last’ niet op tijd wordt uitgevoerd.

De eigenaar van de woning was het hier niet mee eens en vocht het besluit aan. Zo ook in hoger beroep. Maar in de tussentijd bleef de werking van het besluit van het college in stand. Dat betekende dat ondanks dat de eigenaar in hoger beroep ging hij alsnog moest voldoen aan de verplichting tot het verwijderen van zijn woning op korte termijn.

Maar wat als de rechter in hoger beroep tot een ander oordeel komt en de woning dan al is verwijderd? Deze situatie wilde de eigenaar voorkomen en hij heeft daarom de voorzieningenrechter (met een soort kort geding) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep.

De voorzieningenrechter heeft bij zijn voorlopige voorziening de belangen van het college en dat van de inwoner tegen elkaar afgewogen. Daarbij was tevens van belang dat de woning al vele jaren aanwezig was en niet was gebleken dat veel overlast werd ervaren door de aanwezigheid van de woning. Van andere acute belangen is evenmin gebleken. Daarom was de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van een acuut belang bij de verwijdering van de al jaren aanwezige woning. Hij vindt het belang van de eigenaar van de woning daarbij zwaarder wegen.

Opvallend aan deze uitspraak is dat in geval van voorlopige voorzieningen de rechter meestal ook alvast een doorkijkje maakt naar de inhoud van de zaak en daarbij wordt inzicht gegeven in de kansen die men in hoger beroep zou hebben, maar dat wordt hier nu niet gedaan. In deze zaak heeft de voorzieningenrechter alleen op basis van de afweging van de belangen van partijen geoordeeld dat de woning (nog) niet hoeft te worden verwijderd en heeft daartoe het besluit alsnog geschorst.

Wij zijn benieuwd of en hoe deze beoordelingswijze zich verder gaat ontwikkelen en nemen deze uitspraak mee in onze dagelijkse praktijk waar wij veelvuldig adviseren en procederen in dergelijke handhavingskwesties.

Heb jij een brief ontvangen van een overheidsinstantie waarin aan jou een sanctie wordt opgelegd of daarmee wordt gedreigd? Aarzel dan niet en neem contact op met een van onze vastgoedjuristen. Zij beschikken over ruime ervaring op dit gebied en staan je graag bij.

 

Recente berichten

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven

Een digitale handtekening op een tablet: wat is de bewijskracht?

In de uitspraak van 16 maart 2022 heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld over de bewijskracht van een digitale handtekening die gezet is op een tablet. De vraag is of met het zetten van de digitale handtekening een overeenkomst tot stand is gekomen.

Feiten
In deze zaak stelde een softwareleverancier dat zij een overeenkomst was aangegaan met een keurslagerij. De softwareleverancier had de keurslagerij bezocht en tijdens dit bezoek was er gesproken over online klantensoftware. Daarbij heeft de leverancier diverse onderdelen van het programma aan de directeur van de slagerij getoond. Tijdens dit gesprek heeft de directeur van de slagerij een handtekening gezet op een tablet die de leverancier bij zich droeg. De softwareleverancier heeft vervolgens de slagerij een factuur toegezonden aangezien de slagerij door het zetten van de digitale handtekening op de tablet modules zou hebben afgenomen. De slagerij betwist dat zij een overeenkomst is aangegaan met de leverancier en stelt dat hij alleen zijn handtekening had gezet om vrijblijvende informatie te ontvangen, niet om een overeenkomst aan te gaan met de leverancier.

De softwareleverancier beroept zich op de rechtsgevolgen van een door haar opgestelde overeenkomst welke door de slagerij wordt betwist. Het is daarmee aan de softwareleverancier om de totstandkoming van de overeenkomst te bewijzen.

Bewijskracht digitale handtekening
Om te kunnen spreken van een overeenkomst moet er sprake zijn van een onderhandse akte, namelijk een ondertekend document dat bedoeld is om als bewijs van de gemaakte afspraken te dienen. De wet bepaalt dat een onderhandse akte niet in alle gevallen schriftelijk hoeft te worden opgemaakt, de akte moet dan wel zijn ondertekend.

Een elektronische handtekening heeft dezelfde bewijskracht als een handgeschreven handtekening. Voorwaarde is dat de methode die gebruikt is voor de ondertekening voldoende betrouwbaar is, mede gelet op het doel waarvoor het wordt gebruikt. Een gekwalificeerde handtekening is een elektronische handtekening met een gekwalificeerd certificaat dat onder strikte voorwaarden wordt uitgegeven aan de houder. Bij gebruik van een gekwalificeerde elektronische handtekening is sprake van ‘voldoende betrouwbaarheid’ en wordt juridisch gelijk gesteld aan een handgeschreven ondertekening.

Uitspraak
De softwareleverancier heeft niet gesteld dat er sprake was van een gekwalificeerde handtekening. Er is enkel door de slagerij op een tablet van de softwareleverancier een digitale handtekening gezet. Er moet daarom worden beoordeeld of de gebruikte methode van ondertekening voldoende betrouwbaar is. Volgens de rechtbank is dat niet het geval, omdat de handtekening gezet is op een tablet die de softwareleverancier bij zich droeg in een digitale omgeving die door de softwareleverancier of een door hem ingeschakelde partij wordt beheerd. De door de softwareleverancier overlegde overeenkomst kan daarom volgens de rechtbank niet worden aangemerkt als onderhandse akte met de daarbij behorende bewijskracht.

De rechtbank stelt de softwareleverancier nog in de gelegenheid om te bewijzen dat de slagerij zowel de door de softwareleverancier overgelegde overeenkomst als het overgelegde bestelformulier digitaal heeft ondertekend.

Recente berichten

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven

Darkstores: voorzien de huidige bestemmingsplannen in deze opkomende ontwikkeling?

In steeds meer steden en gemeenten springen ze als paddenstoelen uit de grond: darkstores. Een darkstore is een locatie waar voorraad wordt opgeslagen voor commerciële doeleinden, die vervolgens met flitsbezorging worden uitgeleverd. Denk aan Gorillas, Flink en Getir: dit zijn bezorgdiensten die in een mum van tijd je boodschappen bij je bezorgen. Je vindt ze vaak (midden) in de stad of in een woonwijk, om zo binnen enkele minuten bij de klant een bestelling te kunnen leveren. Continue reading “Darkstores: voorzien de huidige bestemmingsplannen in deze opkomende ontwikkeling?”

Recente berichten

Blijf scherp ondernemer!

Wilt u de laatste nieuwtjes weten op ondernemers- en juridisch gebied? Meld u hier aan en blijf zo op de hoogte.

Nu inschrijven
Postbus 171
3900 AD Veenendaal

T 0318 – 860 323
F 0318 – 890 250
E info@jurato.nl
W www.jurato.nl

Bedrijfsgegevens
KvK: 60750561
IBAN: NL78 RABO 0181 9193 38
BTW: NL85 404 3512 B01

Algemene Voorwaarden Jurato B.V.
Privacyverklaring Jurato B.V.
Snel een vraag stellen?
  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.